Meewerken aan contactopsporing doet artsen beroepsgeheim schenden

UPDATE 28/07/20: De in deze blog besproken juridische lacune is intussen door de wetgever aangepakt: het KB nr. 44 van 26 juni 2020 bevat een bepaling waarin het contactonderzoek in het kader van de Covid-19 epidemie als een afwijking op het beroepsgeheim conform art. 458 Sw. beschouwd wordt. Op deze manier kunnen vrije beroepsbeoefenaars zonder vrees aan contactopspoorders meedelen met wie ze de afgelopen dagen contact gehad hebben, ook binnen het kader van hun professionele activiteiten.

Meewerken aan contactopsporing doet artsen beroepsgeheim schenden

Op 11 mei gingen honderden contactopspoorders aan de slag in het kader van het indijken van de Covid-19 pandemie. De contactopspoorders bellen enerzijds mensen op die (vermoedelijk) besmet zijn met Covid-19 en anderzijds de mensen met wie deze (vermoedelijk) besmette personen in contact zijn gekomen. Op deze manier kan de volledige keten van contacten in kaart worden gebracht en worden verbroken, en kan de pandemie maximaal worden ingedijkt.

Om dit contactonderzoek mogelijk te maken, dienen verschillende actoren informatie te delen: langs de ene kant dienen artsen, ziekenhuizen en laboratoria melding te maken van een (vermoedelijke) besmetting en langs de andere kant dienen de mensen die worden gecontacteerd informatie mee te delen over hun contacten van de afgelopen dagen. Dit laatste stelt weinig problemen: men is het er over eens dat het inzamelen van deze persoonsgegevens proportioneel is ten opzichte van het doel dat hiermee wordt nagestreefd, namelijk het beschermen van de volksgezondheid en dat men dit doet in het algemeen belang.

Met betrekking tot artsen en medewerkers in ziekenhuizen en laboratoria stelt zich mogelijks wel een probleem: het bekend maken van medische gegevens door artsen, apothekers en alle andere personen die uit hoofde van hun beroep kennis hebben van vertrouwelijke patiëntengegevens is in principe een schending van het beroepsgeheim.

Contactonderzoek sinds 2003

Contactonderzoek als techniek om infectieziekten in te dijken is niks nieuws. Sinds 21 november 2003 is er in Vlaanderen het decreet betreffende het preventieve gezondheidsbeleid, dat de aangelegenheid van het contactonderzoek regelt. Het decreet voorziet in een verplichte melding van bepaalde infectieziekten aan het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid door de behandelende arts, het hoofd van een laboratorium van klinische biologie of de arts belast met het medisch toezicht in scholen, bedrijven, voorzieningen waar kinderen en jongeren verblijven, rust- en verzorgingstehuizen en rustoorden voor bejaarden. De details van de meldplicht werden later nader omschreven in het besluit van de Vlaamse regering van 19 juni 2009 betreffende initiatieven om uitbreiding van schadelijke effecten, die veroorzaakte zijn door biotische factoren, tegen te gaan.

Ook vóór het van start gaan van de contactopsporing was er dus al een verplichte meldingsplicht door artsen bij elk vermoeden van een ernstige infectie die een epidemisch karakter dreigt aan te nemen of aangenomen heeft en dus bij elk vermoeden van een besmetting met Covid-19. In principe doet een arts een melding anoniem maar indien het doorgeven van de naam noodzakelijk is om verdere verspreiding tegen te gaan, moet de naam toch worden doorgegeven en dan komt ook het contactonderzoek in het vizier.

Bovenstaand KB en besluit onderwerpen het traditionele contactonderzoek aan strikte voorwaarden: minimale gegevensdeling (in principe anoniem tenzij het doorgeven van de naam noodzakelijk is om verdere verspreiding tegen te gaan), verdere verwerkingen voor bv. statistisch of wetenschappelijk onderzoek kan enkel op basis van geanonimiseerde gegevens en de ambtenaren-artsen van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid kunnen welbepaalde maatregelen treffen zoals het opleggen van medische behandelen of het in quarantaine plaatsen van personen die besmet zijn.

Daarnaast is iedere betrokkene verplicht om de ambtenaren-artsen alle aanvullende informatie mee te delen waarvan ze denken dat deze noodzakelijk is voor het nemen van de gepaste maatregelen. Niet-naleving kan leiden tot strafrechtelijke vervolging. Deze concrete wettelijke bepalingen die met nadruk het meedelen van bepaalde gegevens verplichten, zorgen ervoor dat eenieder die normaliter tot geheimhouding is verplicht, legaal kan afwijken van het beroepsgeheim.

Het Covid-19 contactonderzoek: een ander verhaal

Een additioneel wettelijk kader was echter vereist omdat men het Covid-19 contactonderzoek breder wenst te voeren dan het traditionele contactonderzoek, door o.a. de oprichting van een nieuwe databank die kan worden aangewend voor meerdere doeleinden dan louter contactopsporing.

Voor het contactonderzoek in het kader van de Covid-19 epidemie nam de Vlaamse overheid dan ook het decreet aan van 8 mei 2020 tot organisatie van een contactonderzoek in het kader van Covid-19. Het decreet machtigt Sciensano, het Belgisch Instituut voor Volksgezondheid, om in het kader van haar wettelijk vastgelegde surveillance-activiteiten gezondheidsgegevens van patiënten in te zamelen bij diverse zorgverleners of organisaties in de gezondheid of de zorg en deze te verwerken in een databank.

Hoe verloopt dit contactonderzoek? De contactopspoorders nemen telefonisch contact op met (vermoedelijk) besmette personen en maken vervolgens een risico-inschatting van de contacten van die persoon. De contactopspoorders halen hun informatie uit de Covid-19-databank van Sciensano die werd opgericht bij KB nr. 18 van 4 mei 2020 tot oprichting van een databank bij Sciensano in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19. Voorafgaand aan het oprichten van deze databank werd advies gevraagd aan de Gegevensbeschermingsautoriteit.

De gegevens komen in deze databank terecht door de huisarts die hiervoor de nodige elektronische formulieren moet invullen die verbonden zijn met de databank. Een formulier moet door de huisarts worden ingevuld in twee gevallen: wanneer een labo wordt aangevraagd voor een Covid-19 test en wanneer een positieve Covid-19 diagnose wordt gesteld. Dit laatste is van toepassing in de gevallen dat er ofwel een negatief testresultaat is of een onmogelijkheid om te testen, maar de symptomen toch op een besmetting met Covid-19 wijzen. Wanneer de arts een labo aanvraagt en de test is positief, wordt deze uitslag ingevoerd in de databank door de medewerkers van het laboratorium.

De info die door middel van deze formulieren wordt verstrekt, is gelinkt aan de informatie die de contactopspoorders vergaren en op die manier geeft de databank steeds een actueel en zo volledig mogelijk beeld.

Het Covid-19 contactonderzoek is breder dan het traditionele contactonderzoek, aangezien de Covid-19 databank naast contactonderzoek ook moet dienen voor het realiseren van wetenschappelijk, statistisch en/of beleidsondersteunend onderzoek na pseudonimisering (en niet na anonimisering zoals bij het traditionele contactonderzoek) en het meedelen van de gegevens aan o.a. het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid zodat ook het reguliere contactonderzoek kan plaatsvinden.

Het beroepsgeheim en haar uitzonderingen

Het beroepsgeheim houdt in dat personen met bepaalde functies geen informatie mogen bekendmaken over wat hen in hun functie werd medegedeeld. Het gaat om politieagenten en gezondheids- en welzijnsberoepen.

Er gelden enkele uitzonderingen op het beroepsgeheim, zoals wanneer men wordt opgeroepen om te getuigen in de rechtbank of voor een parlementaire onderzoekscommissie, of wanneer de wet artsen en andere medische beroepsbeoefenaars verplicht om bepaalde gegevens mee te delen. Een wet kan dus een uitzondering voorzien op het beroepsgeheim en artsen toch toelaten om patiëntengegevens te delen.

De hamvraag is dan: voorzien de bovenvermelde decreten, KB’s en besluiten in de nodige wettelijke gronden om een uitzondering op het beroepsgeheim toe te laten? Het antwoord op de vraag is ‘nee’. De regeling rond de contactopsporing in het kader van de Covid-19 pandemie lijkt misschien waterdicht, maar dat is ze niet: nergens in het decreet van 8 mei 2020 is er sprake van een meldplicht voor artsen, laboratoria en ziekenhuizen aan de Covid-19 databank. De enige meldplicht die er op vandaag is in dit kader, is deze op grond van het decreet van 2003, maar deze voorziet niet in een meldplicht aan de Covid-19 databank.

Dit is problematisch aangezien 1) art. 458 van het Strafwetboek oplegt dat een er een wettelijke meldplicht moet zijn opdat het beroepsgeheim overeenkomstig art. 458 Strafwetboek mag worden geschonden en 2) artsen geen andere keuze hebben voor het melden van Covid-19 besmettingen dan het gebruik van de elektronische formulieren die naar de Covid-19 databank gaan.

In de praktijk komt het erop neer dat artsen worden gedwongen om hun beroepsgeheim te schenden zonder enig wettelijk kader: Covid-19 besmettingen moeten worden gemeld op grond van het decreet uit 2003 maar de manier waarop is nu gewijzigd naar het invullen van de elektronische formulieren die naar de Covid-19 databank worden verzonden, en niet langer naar het Agentschap Zorg en Gezondheid. Hierdoor maken de artsen in kwestie een melding aan het, strikt wettelijk gezien, verkeerde orgaan.

Daarbovenop is zoals reeds gezegd het Covid-19 contactonderzoek breder dan het contactonderzoek dat wordt geregeld door het decreet uit 2003: indien er zo’n strikte regeling werd uitgewerkt voor een beperkter soort contactonderzoek, dan zou a fortiori de Covid-19 regeling meer waarborgen moeten bevatten dan de regeling voor het traditioneel contactonderzoek. Helaas is dit niet het geval.

Ook de Orde der Artsen liet al hun licht schijnen op deze problematiek en kaart in haar advies van 14 mei 2020 aan dat “op juridisch vlak een zorgvuldig wettelijk kader betreffende het beroepsgeheim noodzakelijk [is].” Echter gezien het feit dat het contactonderzoek in het verleden reeds zijn nut heeft bewezen voor andere infectieziekten, gezien de bijzonder ernstige gezondheidssituatie en de aanzienlijke gevolge voor de maatschappij en gezien de noodzakelijkheid om het virus in te dijken, zou het niet verstandig zijn om de methode van de contactopsporing niet naar waarde te schatten. De Orde is van mening dat “het deontologisch aangewezen dat de arts zijn medewerking verleent aan de contactopsporing, zowel betreffende de verplichte melding van de patiënten die vermoedelijk besmet zijn met Covid-19, als betreffende de contactopvolging in het geval de arts zelfs besmet is met Covid-19.” De Orde der Artsen vindt het dus haar deontologische plicht om mee te werken, maar hekelt het feit dat het wettelijk kader betreffende het beroepsgeheim niet aanwezig is in deze nieuwe Covid-19 wetgeving.

Conclusie: artsen worden gedwongen om beroepsgeheim te schenden

Artsen hebben nog steeds een meldingsplicht op grond van het decreet uit 2003 waarbij ze de naam van de (vermoedelijk) besmette patiënt moeten doorgeven aan het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid – hieraan is niets veranderd. De melding aan de Covid-19 databank is echter wettelijk gezien niet verplicht. Ook het doorgeven van gegevens aan contactopspoorders is niet verplicht en is in principe zelfs niet wettelijk aangezien de regelgeving hieromtrent nergens voorziet in een meldplicht die hen ontslaat van het beroepsgeheim.

Wanneer een arts zelf een melding moet maken, heeft deze weinig keuze dan de elektronische formulieren te gebruiken. Zoals gezegd wordt de arts op deze manier eigenlijk gedwongen het beroepsgeheim te schenden, maar er resten hem weinig andere opties.

Wanneer een arts echter wordt gecontacteerd door de contactopspoorders, is het een ander verhaal en is deze niet verplicht om gegevens door te geven. Hetzelfde gaat op voor andere beroepsbeoefenaars die gebonden zijn door het beroepsgeheim.

Een aanpassing van de huidige regelgeving zodat wordt voorzien in een meldplicht aan de databank van Sciensano is noodzakelijk aangezien zonder deze wettelijk basis iedereen die onderworpen is aan het beroepsgeheim een strafrechtelijke vervolging riskeert wegens schending van dit beroepsgeheim.

Download dit artikel.


Projecten